Interessante 6e editie MasterClass Baksteen
Op donderdag 18 september jl. vond in hartje Den Haag voor al weer de 6e keer de MasterClass Baksteen plaats. In de voormalige brandweerkazerne aan de Juffrouw Idastraat (‘Ida, het kloppertje’) worden de aanwezigen van harte welkom geheten door KNB-directeur Ewald Van Hal. Hij toont zich verheugd over de goede opkomst. De aanwezige architecten komen van Groningen tot Venlo.
Publicist en SMAAK-hoofdredacteur Jaap Huisman doet daarop de aftrap en introduceert de eerste Master, Vera Yanovshtchinstky. Het centrale thema is ‘’Context’. De Vinex-opgave loopt ten einde, en vaak is daar een identiteit gecreëerd “from scratch”, zoals in Vathorst, veelal met thematiek als middel. Daarbij vergroten de steeds verder ontwikkelde steenkarakters de afleesbaarheid van de wijk.
Vera Yanovshtchinstky neemt de microfoon over. Haar bureau werkt op alle schaalniveaus, op de wand projecteert zij verschillende projecten van haar bureau.
Zij kwam als 22 jarige voor het eerst in Nederland, zag hier veel baksteen en werd getroffen door de schoonheid, tijdsbestendigheid en technische mogelijkheden van het materiaal. In de Delftse opleiding, was baksteen taboe: daar werd toen in grote elementen en panelen ontworpen, met de nadruk op plattegronden en weinig aandacht voor de materiaalkeuze. Zelf besteedt Yanovshtchinstky relatief 3x meer tijd aan de gevel: “de logistiek is niet zo spannend, het gaat om de omzetting van een droom naar de realiteit”. Juist waar de budgetten klein zijn kun je van baksteen nog wat maken, zoals in de Haagse Schilderswijk, waar in de loop van de tijd veel was gebouwd in goedkope panelen en dergelijke.
Ze poneert een stelling: “het object vraagt om een materiaal en een kleur”. “zo hoort een Ferrari brutaal rood te zijn. In geel wordt dezelfde auto zoet als een lolly, en in zwart keurig en beschaafd, te keurig en te beschaafd”.
Yanovshtchinstky toont veel projecten die om een specifiek materiaal vragen: Hatert in Nijmegen, zwarte, als dobbelstenen in het landschap gestrooide blokken, zwart gemetseld, aanwezig, plastisch: niet in een andere kleur of steen denkbaar. Daar kwam een special baksteen bij die sterk op lichtbewegingen reageert. Bij een nieuwbouw naast het Haagse “Nederlanden van 1845” moest Yanovshtchinstky op deze door Berlage ontworpen buurman met zijn reusachtige steenformaat reageren. Stenen in een zelfde kleur gaven een zwak aftreksel, beter was het opzoeken van de balans door te contrasteren in materiaal en kleur. Bij een rond woongebouw in Wateringseveld ondernam haar bureau een grote inspanning om in een ronde gevel licht relief aan te brengen: dat uiteindelijk nauwelijks zichtbaar bleek. In Vleuterweide won zij het project voor een cultuurcampus met het beeld van een klooster: de door de eeuwen gegroeide cultuurdrager bij uitstek, bestaand uit verschillende gebouwen uit opeenvolgende periodes maar met dezelfde stenen gemetseld en daardoor toch een eenheid. De steen werd gekozen. In verschillende testmuurtjes werd de invloed van de voegkleur getest. “de stenen moet je altijd meenemen naar locatie: dan zien ze er ineens anders uit.” Kleur is ook een moeilijk thema.
Tweede master is Felix Claus. Zijn bureau Claus en Kaan heeft geen heilige droom of visie maar wil dingen maken. Claus: “een gebouw hoeft niet mooi te zijn, maar karakter is belangrijk.” Tijdens zijn studie kreeg metselwerk weinig aandacht: het was een vulmiddel zoals bij Weebers Hofplein toren. Het was Hans Kollhoff die het hier met zijn Piraeus weer op de kaart zette, wat een schok teweeg bracht. Veel eigen voorbeelden passeren vervolgens de revue. Zo het entreegebouw van een groot bestaand abstract belastingkantoor, als een uitgesneden massief blok dat warmte en materiaal aan het bestaande toevoegt, met zijkanten in koppen gemetseld wat dit effect nog versterkt. Een fascinatie met daktrimmen en randen, geminimaliseerd tot een dun plaatje of juist overdreven, is de bureausignatuur. Maar naar collega’s kijken mag, bij Alberts en van Huut herontdekten Claus en Kaan de schelpkalkmortel die tot minder abstracte voegen leidt. In een duingebied werd gele baksteen toegepast. Claus herinnert zich een gesprek met een Spaanse collega over de kleurtoepassing van baksteen en het daglicht: misschien is de zandkleurige steen wel wat te waterig voor onze lichtverhoudingen. In Stadshagen ontwierp hij, zonder opzet, een “chagrijnig” gebouw dat juist daardoor zijn plaats in neemt, in Amsterdam West een keihard gebouw onder de aanvliegroutes, steeds een ander karakter. Op IJburg kun je zien hoe steen, voeg en raampositie grote verschillen brengen in dezelfde blokjes. Ook de “mews” erachter veranderen: baksteen voegt zich. In Vught experimenteerde Claus met een Romeinse muur, verder met witte muurolie en Deense stenen, in Nijverdal met een steenstrip plafondgewelf, maar vooral bij het woongebouw in Roombeek met zijn golvende balkons kon hij erg ver gaan: “mensen begrijpen baksteen”.
De vervolgens geprojecteerde en door deelnemers meegebrachte toepassingsvoorbeelden variëren van moderne contextuele projecten tot speciaal ontwikkelde stenen van architect Zumthor en de Amsterdamse schoolvoorbeelden.
Het geeft aanleiding tot onderlinge discussie en doorkijkjes naar alternatieven. Felix Claus: ‘’baksteen begrijpt iedereen, maar ook: iedereen begrijpt baksteen. Baksteen geeft een gebouw direct geschiedenis’’. Dat zeggingskracht van baksteen is lange tijd onbesproken geweest. Kollhof met zijn Amsterdamse Pirhaes heeft daarin een ommekeer teweeg gebracht. Het werd toen weer salonfähig om over baksteen te praten.
Na een goede lunch werken de KNB-technici Gerard Westenbroek en Arie Mooiman bij de technische workshop een waslijst van vragen af: het “slim building” met hoogwaardige isolatie als alternatief voor de steeds dikkere spouw, doorslagproblemen bij te dunne luchtspouwen, het beperken van dilataties, het lijmen en de dunbed mortel, en de technische aspecten van de steenkeuze: sinds de Europese CE markering is de variatie groter dan ooit. Wateropname en initiële wateropzuiging zijn de factoren die in Nederland vaak een rol spelen bij het kiezen tussen optisch vergelijkbare alternatieven. Zeker bij het Hollandse verwerken van een Duitse steen een aandachtspunt. De mooie veroudering als volgende thema, met de alg, mos, dooizout en hondenplas als vijanden: voorkom in details geconcentreerd afstromend water, pas muurafdekkers en trasramen toe. Vervolgens het onderwerp doorstrijken: voor iedereen beter, altijd met een goede voegsterkte, uit onwil toch vaak nog duurder dan de traditionele praktijk.
Met een welkome borrel na vele uren denk- en zwoegwerk wordt de 6e MasterClass beëindigd. De architecten keren huiswaarts in het bezit van de allernieuwste uitgave van BAKSTEEN.
Met de MasterClass Baksteen beoogt het Koninklijk Verbond van Nederlandse Baksteenfabrikanten (KNB), de koepelorganisatie van de Nederlandse baksteenindustrie, een bijdrage te leveren aan de ontwerp- en verwerkingszekerheid van bouwen met baksteen. Het identificeert daartoe ‘kennis’ en ‘samenwerking’ als de cruciale succesfactoren en betrekt daar logischerwijze jonge talentvolle architecten bij.
Met deelname aan de MasterClass voldoen deelnemende BNA-leden aan de eis tot bijscholing.