Korte impressie van 5e Baksteen Masterclass op donderdag 29 november 2007, In Loods 6 te Amsterdam
Rohmer: “Architect is een schaker en bokser tegelijk’’
Op donderdag 29 november 2007 vindt voor de vijfde keer in successie de MasterClass Baksteen plaats. Tegen half tien druppelen de eerste deelnemers binnen. Het zijn meest representanten van de jongere garde, man en vrouw, die verwachtingsvol Zaal Kompas in Loods 6 op het KNSM-eiland betreden.
De MasterClass Baksteen 2007 wordt geopend door KNB-directeur Ewald van Hal waarna publicist Jaap Huisman het woord neemt om de 5e MasterClass de rest van de dag in goede banen te leiden: “Bij de afgelopen 4 MasterClasses lag de nadruk van het ochtenddeel op lezingen, dit keer is het interactiever.” Dagthema is het spanningsveld tussen prefab en detail.
De beide Masters worden geïntroduceerd: Marlies Rohmer en Art Zaaijer, beiden architect te Amsterdam met kantoor in Loods 6 op het KNSM eiland. Met een knipoog naar Jan Lenferink’s RUR introduceert Zaaijer Marlies Rohmer als architecte van “meeslepende gebouwen die toch niet lekken, met een materiaaltoepassing van kloostermop tot steenstrip” en ‘’met een polariserend tintje” voegt zij daar zelf nog aan toe. Op haar beurt introduceert Marlies Rohmer haar collega Art Zaaijer als een in eerste instantie eigenwijs persoon met wie het echter goed ontwerpen is doordat hij haar scherp houdt. Daarop mogen alle deelnemers een door hen vooraf ingezonden plaatje van een goed of juist slecht voorbeeld van metselwerk toelichten. Dudoks raadhuis van Hilversum komt meer dan eens voorbij, nog steeds een lichtend voorbeeld. Naast klassiekers ook meer recente voorbeelden waaronder een totaal verbandloze gevel met diverse stenen door elkaar.
Master Art Zaaijer behandelt zijn project van studentenhuisvesting op het Utrechtse University college. Dat bestaat uit 209 nieuwe wooneenheden in drie bouwvolumes in een context van gemetselde gebouwen rond een oude kazerne. “Gewoontjes” volgens Zaaijer, “als je niet beter kijkt”. En dat laatste doe je juist als je aan die door de jaren heen gegroeide context iets toe gaat voegen. Dan vallen talrijke details op, secuur gemaakte speklagen, raamdorpels, hoekstenen. Hij toont een eenvoudige genieloods uit 1912. “Probeer die zuiverheid van detailleren nu nog maar eens te bereiken”. Tijdens het proces werden door Zaaijer monsterstenen meegenomen naar de locatie, en met de bestaande gevels als achtergrond samen gefotografeerd. Dat geeft een abstractie die zich beter laat vergelijken dan de werkelijkheid. Een paarse steen werd gekozen. Met verschillende deco-stenen en voegtinten is een nuancering tussen de blokken aangebracht. Verder werd transparantie ingezet door het weglaten van stenen, met als inspiratie Toscaanse gemetselde hooischuren. Beoogd werd een verfijnde gevel te bereiken. Gevraagd wordt naar de praktische werking van zijn baksteen schermen, waarachter de ramen van binnen helemaal te openen zijn. “Is er geen last van nestelende vogels?’’ zo luidt een vraag van een deelnemer. “Neen”, antwoordt Zaaijer, “geen last van vogels wel een onvermoede plek om bier te koelen.”
Deco-steentjes kent hij van de huisjes op Terschelling, kleine steentjes die het ontbrekende maatje bij de hoek opvullen en zo de code van het metselverband leesbaar maken. Minutieuze betonnen hoeksteentjes, onder en boven, maken een moeizame overgang in steen overbodig. De dakrand is een eerder door Zaaijer toegepast detail waarbij een dektegel en een klein aluminium lekrandje een zuivere beëindiging mogelijk maken.
Marlies Rohmer vindt het werk van Art Zaaijer een mooi voorbeeld van hoe veel geklaag door architecten over achteruitgang van het ambacht uiteindelijk te maken heeft met het eigen gebrek aan inventiviteit en oog voor detail dat hij wel heeft.
Marlies Rohmer start haar verhaal met een pleidooi voor het overboord gooien van duurzaam bouwen: juist het later niet afgebroken hoeven worden is hetgeen dat gebouwen duurzaam maakt; niet een verbod op hardhouten onderdorpels. Haar eerste thema in relatie tot baksteen is sculpturaliteit, zoals te zien op Insel Hombroich. Het vormde haar inspiratiebron voor de Zeester, een volstrekt symmetrisch psychiatrisch verblijf. Het is puur volume met patrijspoort-ramen gevat in keramische cirkels van atelier Cor Unum. Het vormt geïntegreerde kunst –een stelpost als beloning voor een flexibele opstelling tijdens het bouwproces.
Haar volgende thema is tactiliteit, gelijk de gevel van het Hamburgse Sprinkenhof, dat structuur heeft als een kabeltrui, met de ramen daarin opgenomen. Expressie dan, met als voorbeeld haar eigen grote blok in het Zwolse Stadshagen. “Zo groot als een Barcelona blok” met alleen woningen en een sportcentrum daarin: geen programma om een stadscentrum mee te creëren. Dus moest het baksteengeweld het maar doen”. Dat leverde een als een fluweelgordijn gebogen Aaltoeske huid op, met een flink overstek onder de sportzaal.
Het laatste thema is filigreine structuur, geïllustreerd met haar Turks-Marokkaanse dubbelmoskee met arbeidsbemiddelingcentrum, als een hybride verwijzing naar de Arabische bouwtraditie. Rohmer legt de ornamentiek van vroeger tegenwoordig in de prefab kist, en ergert zich daarbij aan de beperkte bereidheid van de bouwtoeleverende industrie om een 1 op 1 mock up te maken en vroegtijdig mee te denken.
Vervolgd wordt met een korte brainstorm-sessie in groepjes. Zaaijer en Rohmer lopen rond en leiden de gespreksthema’s: Hoe sterk staat de architect tegenover de aannemer? Wat ziet een leek eigenlijk die naar een baksteengevel kijkt? Wanneer worden vormstenen een optie? “Het zijn je tekeningen die de aannemer al moeten overtuigen” zegt Art Zaaijer over de positie van de architect: “zorg dat je het uitgezocht hebt”. Veel veranderingen ten opzichte van het bestek komen voort uit de last minute aanschuivende onderaannemers. Marlies Rohmer: “een bouwteam is vaak een wassen neus. Tot en met het DO wordt alles goed gevonden en pas later komt er inhoudelijk commentaar. Het bouwproces blijft zo voor de architect als een combinatie van een partij schaken en boksen”.
Rohmer, die zich sterk maakt voor ‘’staan voor je ontwerp’ en voor details in metselwerk constateert een grote behoefte onder architecten aan kennis en onafhankelijk technisch advies. Zij ziet het als een logische taak voor KNB om dit voor metselwerk in baksteen te realiseren. Zoals het houtcentrum dat voor hout doet en Bouwen met Staal voor staal.
Na een eenvoudige lunch aan een lange rechte tafel met uitzicht op het IJ, begint de middagworkshop. Het is het technische deel.
KNB-er Hugo Speelman behandelt de spouwmuur. Tot de energiecrisis van 1973 was die spouw meestal 60 mm, maar daarna ging deze groeien: “isolatiedikte plus 40 mm” werd de richtlijn, zodat “er na alle leidingen, stalen hulpmiddelen en baarden nog wat overbleef”. De Rc-waarde nam toe met de isolatiedikte. Boven 150 mm is er sprake van een vrijstaande muur. Onnodig volgens Speelman, die wijst op het Engelse “slim building”: hoogwaardige isolatie kost het dubbele van wat de bekende gele deken kost, maar verdient zich terug in fundering, dakrand en in het toegenomen nuttig vloeroppervlak. Na enkele praktijkvoorbeelden is het voor Speelman tijd voor het thema van de dilatatie: een ongewenst fenomeen waar vaak met Murfor-achtige wapening in de voeg wat aan te doen is. Geveldragers zijn een ander, vaak foutief ingezet middel om metselwerk te ondersteunen en dilataties te beperken. Speelman wordt hier en daar onderbroken met vragen van deelnemers, soms ontleend aan meegebracht werk, soms op basis van eerdere ervaringen.
KNB-er Gerard Westenbroek belicht vervolgens de duurzaamheid van baksteen en de industrie.
Een deelnemer vraagt hoeveel energie er in de baksteen gaat zitten, afgezet tegen andere materialen als aluminium. Een moeilijke vergelijking volgens Westenbroek. Gewezen wordt op het Nederlandse MRPI dat daarvoor ontwikkeld is. Tegelijk signaleert hij een Europese ontwikkeling dat focus verlegt van de milieumaat van een bouwmateriaal maar het duurzaamheidsprofiel van een gebouw als geheel.
En dan, na een leerzame dag, volgt een borrel in de KNSM- vertrekhal te Amsterdam.