Succesvol verloop Masterclass Baksteen
2005
De 3e Masterclass Baksteen, op 17 november jl.
in Karel V in Utrecht, mag zonder meer een succes
worden genoemd.
Na een welkom en opening door KNB-directeur Ewald
van Hal neemt publicist en redactielid van BAKSTEEN
Jaap Huisman het woord. Hij leidt het ochtendprogramma
van de Masterclass in met enkele voorbeelden van
baksteen gebouwen van Wright, Hoettger en Botta.
Ieder heeft dit materiaal met zijn solide uitstraling
voor zijn eigen doeleinden in weten te zetten.
Tijdens het eerste deel van de technische workshop
blijkt hoezeer de ontwerpers en bouwers van nu
het vakmanschap uit de tijd van Jellema vergeten
zijn: technisch adviseur Hugo Speelman toont als
voorbeeld het trasraam tegen optrekkend vocht,
een uitstekende oplossing die zelfs niet meer
in de SBR referentiedetails is terug te vinden.
Collega Govert Koers beantwoordt enkele door
de circa veertig deelnemers ingezonden praktijkvragen
als “waarom zijn er zoveel dilataties nodig
in metselwerk?”. Koers: “Dit heeft
alles te maken met onze vaak toegepaste betonnen
draagconstructie die moet uitharden. En verder
met onze gewoonte om metselwerk gevels boven het
maaiveld te laten zweven en constructieve elementen
uit de gevel te laten steken”. Een deelnemer
vraagt naar de toepasbaarheid van verspringende
dilataties. In de praktijk blijven deze tijdelijke
opleghulpmiddelen gewoon zitten, wat tot scheurvorming
kan leiden. Het advies: gebruik nat zand, dat
waait er vanzelf uit. Een practische tip die de
vraagsteller met dank noteert.
Vervolgens behandelt KNB-adviseur Koers het verschil
tussen de Nederlandse, Deense en Duitse praktijk.
Het zit hem vooral in de toepassing van meer kalkhoudende
mortel en in een andere positionering van het
kozijn. Speelman gaat vervolgens in op de verschillende
soorten van “witte uitbloei”: veel
problemen komen voort uit de onzorgvuldige selectie
en opslag van materialen voor de verwerking. Feit
is dat steen en mortel vaak KOMO gecertificeerd
zijn, maar het uitvoerende bedrijf niet. Het steeds
vaker toegepaste doorstrijken van voegen voorkomt
ook hier problemen. Een deelnemer vraagt: “kan
ik mijn voegen 1,5cm diep leggen?” Speelman:
“dan gaat u wel erg ver”.
Het is tijd voor het Hoofdporgramma: Master Jo
Coenen neemt het woord: “wij leven in het
Wallpaper tijdperk”. Je weet niet meer wat
je ziet, de beelden van vroeger zijn niet meer
betrouwbaar. Alles wordt gestyld, vaak door ontwerpers
die de technische kant van het product niet kennen:
tussen de glossy plaatjes van horloges, feestkleding
en design lampen kom je nu ook gebouwen tegen.
Wat maakt ons tot zulke modegevoelige kameleons,
die de B2 blokken van 25 jaar terug niet meer
willen? Ook de baksteen is, net als Coenen’s
schoen, die hij demonstratief in de lucht houdt,
aan mode onderhevig.
Deze behoefte aan beelden is generatiegebonden.
Maar voor Coenen zelf ligt de nadruk meer op continuïteit
in de stad: een nieuw gebouw zou een stenige invulling
in een stenen stad moeten zijn, eigenlijk als
een steen in een muur: een onderdeel van het geheel.
Wij moeten over de tijd heen denken, want 70 jaar
later zullen onze kleinkinderen geen begrip hebben
voor dat snelle statement van de wethouder of
de architect van nu. Coenen toont voorbeelden:
zijn bekende gerealiseerde plan voor het Ceramique
terrein waar de vertrouwde natuursteenplint van
Maastricht is doorgezet en waar de architecten
zelf voor de baksteen als gevelmateriaal kozen.
Ook toont hij vroege beelden van zijn masterplan
voor het centrum van Leidsche Rijn. Een moeilijke
opgave om ook daar de nadruk te leggen op het
ensemble. Coenen: “ik hoef maar de grens
over te gaan naar België of Duitsland en
ik zie prachtige steden. In Nederland blijven
de objecten vaak sterker dan het totaalbeeld”.
Verder toont hij zijn gerealiseerde slanke Vesteda
toren in Eindhoven: “geen spannend gebouw”,
vertelt hij, maar juist een ontspannend gebouw:
“dat is waar de mensen behoefte aan hebben”.
Voor hem is het doorzetten van een hoogwaardig
gevelmateriaal essentieel: vaak zijn daarvoor
indringende discussies met de opdrachtgever nodig
om diens prioriteiten helder te krijgen. Dan gaat
er relatief veel budget in de gevel zitten, en
worden de juiste mensen vroegtijdig bij het project
betrokken. Als laatste toont Coenen zijn stedenbouwkundige
plan Maas-Markt voor het centrum van Maastricht.
Het is een plan dat marktplein, brug en rivier
aan elkaar moet binden middels twee grote, subtiel
gebogen bouwvolumes. “Is dat niet een wat
grootschalige ingreep?” vraagt een deelnemer.
“Ja” antwoordt Jo Coenen. “maar
dat is beter dat een valse opdeling, een geveltatoeage”.
Hij eindigt zijn betoog bescheiden: “Ik
ben geen stedenbouwkundige, maar een architect
die een stuk stad wil maken”.
Na een vorstelijke lunch, waarbij de aanwezigen
met elkaar in discussie gaan over de thema’s
die door Coenen zijn aangehaald, betreedt de tweede
master, Cristoph Kohl van Krier en Kohl uit Berlijn,
het podium. Zijn bureau houdt zich bezig met massawoningbouw,
met als bekendste plan het traditionalistische
Brandevoort. De gemeente Helmond had een voorbeeldig
lange adem: al 10 jaar duurt het project voort,
met nog 20 jaar te gaan. Architecten labelen Krier’s
werk vaak als “terug naar vroeger”.
Maar Kohl benadrukt de tevredenheid van de architect,
de opdrachtgever, de gebruiker en de politicus:
iedereen is hier, ondanks de kritiek van de vakwereld,
gewoon blij mee. Kohl legt uit hoezeer Brandevoort,
ondanks de Luxemburger Krier en de Zuid Tiroler
Kohl, een Nederlands product is: het is in hoge
mate afgestemd op het Hollandse bouwindustrie
apparaat, maar toch met de uitstraling van individueel
wonen. Jo Coenen: “bestaat de Helmonder
nog wel? Worden deze mensen wel dorpsbewoners?”
Kohl ziet het antwoord in onze taal: het woord
“Heimat” kennen wij hier niet, wel
het woord “vaderland”. Kohl benadrukt
dat met het verdwijnen van de middeleeuwse bouwtraditie
de wens tot individueel wonen niet verdwenen is,
en dat het massale wonen pas met de militarisatie
opkwam. In de uitwerking van Brandevoort is wel
gerationaliseerd: er is sprake van basistypes
met combinatiemogelijkheden tussen daken, dakranden
en gevels, om de bouwers van de beheersbaarheid
van het project te overtuigen. Een vraag uit de
zaal: “waarom kan die individualiteit niet
met moderne vormentaal bereikt worden?”.
Volgens Kohl zijn daar weinig goede voorbeelden
van. Volgens hem moet de architect in een collectief
resultaat als dit een stap terug doen in zijn
individualiteit, en accepteren dat de aandacht
hier uit gaat naar de gevel, meer dan de plattegrond.
Wel heeft de architect door steeds meer volledige
opdrachten meer invloed op het eindresultaat gekregen.
Onder leiding van Jaap Huisman wordt door Kohl
en de aanwezigen verder gediscussieerd over de
historische stad en de rol van de baksteen daarin.
In het tweede, tevens afsluitende deel van de
technische workshop komt de spouwmuur aan bod:
“door de nieuwe EPN ontstaan spouwmuren
met een RC van 3.5 tot 4.0” zo Hugo Speelman.
Hoewel hoogwaardig isolatiemateriaal een stuk
duurder is dan het gebruikelijke zou het bij spouwdiktes
van rond de 20cm wel eens aantrekkelijk kunnen
worden: anders is er sprake van een zelfdragende
baksteen gevel”. Verder vraagt hij aandacht
voor het risico van een te smalle luchtspouw,
en voor de nonchalante omgang met isolatie diktes
op de bouwplaats.
Govert Koers toont een aantal trends in baksteenland,
zoals prefab metselwerk, door een metselrobot
vervaardigd, waarbij de architect wel alle aansluitproblemen
moet hebben opgelost. Verder enkele innovatieve
droogstapel systemen. Deze systemen inspireren
de architect terwijl de mogelijke meerkosten van
het materiaal tegen de minderkosten van de arbeid
kunnen worden weggestreept.
Verder passeren nieuwe toepassingen als stootvoegloos
metselen, verschillende laagdiktes en verticaal
metselen de revue. En de op een stang geregen
penanten van Rudy Uytenhaak, waarbij de baksteen
nog steeds zijn eigenschappen wat betreft temperatuur
- en vochtregulering en brandoverslag behoudt.
Het laatste onderwerp van deze informatieve en
beschouwelijke dag is de latei: wat is er mogelijk,
en welke hulpconstructie past men toe om openingen
in de bakstenen gevel te realiseren. Een wijze
raad: pas niet te snel geveldragers toe boven
een deuropening, helemaal niet nodig!
Bij de afsluitende borrel in het middeleeuwse
keldergewelf zijn de aanwezigen het unaniem over
een ding eens: baksteen biedt een tijd- en stijlloze
inspiratie.
De Masterclass Baksteen 2005 is een initiatief
van KNB. Het geeft jonge, veelbelovende architecten
een platform om in reflectie met een Master, een
bewezen autoriteit op het vakgebied, rechtstreeks
van gedachten te wisselen over ontwerpopgaven
in en realisatievraagstukken van baksteen.Het
centrale doel is behoud en versterken van kennis
van, inzicht en ervaring in het ontwerpen met
baksteen in het belang van kwalitatieve baksteenbouw.
De Masterclass in 2005 volgde op eerdere in 2004
(met Christoph Kohl en bOb van Reeth) en in 2003
(met Hans Kollhoff en Frits van Dongen)