Succesvol verloop 4e MasterClass
Baksteen
Op donderdag 16 november jl. organiseerde
KNB in het Olympisch Stadion in Amsterdam voor de
vierde maal in successie een MasterClass Baksteen.
Net als de eerdere Classes werd het een boeiende
dag waaraan circa 40 veelal jonge architecten geïnteresseerd
deelnamen.
Na een warm welkom door KNB–directeur
Ewald van Hal verzorgde publicist en redactielid
van het architectuurblad BAKSTEEN Jaap Huisman de
aftrap. Hij refereert aan de plek van samenkomst,
het Olympisch stadion: “na 80 jaar profiteert
de omgeving nog steeds van dit moderne bakstenen
monument”, daarbij indirect verwijzend naar
de duurzaamheid van baksteenbouw.
Daarop kwam het woord aan Frits Palmboom,
de 1e master van deze dag. Palmboom is als stedenbouwer
mede verantwoordelijk voor o.a. IJburg. Palmboom
vertelt bevlogen maar volgbaar over de stad als
bouwsel, van het grootste schaalniveau tot het kleinste
bouwsteentje, beheerst door de terreinkundige kenmerken
van de grondplaat. Nederland heeft daarbij vergeleken
met de eeuwige steden als Rome een vochtige ondergrond
waarin het verleden wegzakt, maar het veen kent
zijn eigen wetmatigheden. Palmboom staat stil bij
de grachtengordel, het Amsterdam Zuid van Berlage,
de westelijke tuinsteden van Van Eesteren, het meer
recente IJburg en tot slot het ‘Haagsche’
Ypenburg.
De Amsterdamse grachtengordel wordt
door Palmboom omschreven als een feitelijk binnen
de stadsmuren gebogen landmeetkundig plan, met veel
pragmatiek. Bruggen over grachten, verantwoordelijk
voor een heuvelachtig landschap in het centrum,
zijn mee geboetseerd met de straten en huizen. Deze
laatste laten wel een bakstenen herinnering achter,
maar bestaan wat de pui betreft in feite meer uit
hout en glas.
Het plan Berlage Zuid, een gebeeldhouwd
stadsdeel, is anders: daar komen monumentaliteit
en gedurfde herhaling aan bod. Plint, middenmotief
en hoekbehandeling zetten de gebouwen als collectief
geheel op de grondplaat. Sommige bruggen hebben
een sluitsteen als welhaast belangrijkste element
en soms zijn huis, berging en kademuur één
als nergens anders in de grachtengordel.
Dan op naar het Amsterdam West van
stedenbouwkundige van Eesteren: een van de lobben
van Amsterdam. Het is het deel van de massa-woning
als bouwsteen. Hier wordt de stad bevrijd van haar
geslotenheid, Amsterdam opent zich westwaarts. Hoewel
vaak gezien als schematisch is het plan wel degelijk
gebaseerd op de fysieke ondergrond: het kent een
complete driedimensionale grondplaat. Zo werd juist
de diepst gelegen polder de Sloterplas. Fijn aangezette
oeverlijnen en gemetselde bolwerken als echo uit
de binnenstad maken samen met de grote bomen een
bewust vormgegeven geheel van de plas. In West vind
je zachte bermen naar het water toe en een afgeronde
baksteen rollaag die misschien over een afstand
van wel 15 km terug te vinden is. En subtiel gedetailleerde
hekwerken die de borstweringen omarmen. Een geënsceneerd
parklandschap, met een nadruk op collectiviteit
en maakbaarheid.
Voor IJburg gold een ander uitgangspunt:
het moest een geschikte drager worden voor de vandaag
zo belangrijke individualiteit, met een grondtoon
die dat mogelijk maakt en contact legt met de grootste
landschappelijke schaal. Een grondplaat met gearticuleerde
randen. IJburg heeft een ruwe en een luwe kant:
de noordkant is een waterkering, hard en winderig,
geschikt voor een collectieve relatie tussen stad
en land, in de vorm van grote woongebouwen en een
breukstenen kade.
De Zuidkant daarentegen is zo luw dat privé
tuinen aan het water kunnen grenzen. De welstandsvrije
kavels op Steigereiland kunnen gezien worden als
aangespoeld drijfhout.
De bruggen op IJburg zijn ook bewuste ingrepen:
de toegangsbrug als witte “sprong” naar
IJburg, de strakke stenen bruggenfamilie aan de
noordkant die daar de gebouwen zal pakken als bij
Berlage, en libelle-achtige bruggen in het riet
aan de zuidkant. “meer het conditioneren van
verschillen dan het controleren van het eindbeeld”
zo Palmboom, “met een strakke regie op de
materialisatie van straten en buitengebieden”.
Dan naar het Haagsche Ypenburg, een
stedenbouwkundig plan in de suburbane Haagse regio,
anders dan het trotse Amsterdam waar extra investeringen
mogelijk waren op grond van het verleden. Uitgangspunt
was de voormalige landingsbaan, nu een bomenlaan
die op termijn een groots effect zal geven. De halfverharding
als vlies, de waterpartij als ruig landschap, en
de baksteen niet in de bestrating maar alleen in
de gebouwen. Palmboom: een terloopse aaneenschakeling
van gebouwen, met een grondtoon in de materialisatie,
die een geheimzinnige ondertoon van collectiviteit
aan het geheel meegeeft, de baspartij. In dit geheel
is het centrumplan van Christian Rapp, 2e master
van de dag, te zien als een briljante bassolo.
Christian Rapp, Duitse architect in
Nederland, een van de weinige met ook een metselopleiding
en samen met Hans Kollhoff bekend van zijn donkere
bakstenen Piraeus gebouw in Amsterdam, neemt het
woord: “Ypenburg was al in deelplannen opgesplitst
toen wij aan het 7-jarig proces begonnen.”
Rapp transformeerde het geplande winkelplein in
een winkelstraat om de grote variatie in drukte
beter op te vangen, en kwam uit op 9 bouwblokken
waarover hij de hoge punten verdeelde. Zo ontstond
een ensemble van blokken met van een afstand zichtbare
stenen torentjes, bekroond met glazen bouwstenen.
In de gevels een subtiel lijnenspel, per verdieping
5 cm verspringende negges, met franse balkons die
op een basissteen rusten. Blok A, met het laagste
budget van alle en een geïntegreerde sporthal,
wordt als eerste gerealiseerd: zonder speciale plint
en met iets donkerder stenen dan voor de volgende
blokken werden geselecteerd.
Rapp spreekt over de omgeving van onze MasterClass:
“Berlage ontwierp Zuid zonder het Olympisch
stadion, dat kwam na zijn dood. Andere grote voorziene
elementen zoals station Zuid en de Kunstacademie
kwamen er nooit”. Mede inspirator voor Berlage
was Hausmann: “boulevards met winkels had
hij in gedachten, maar die zijn er bijna niet gekomen.
Dat is anders dan de Berlijnse Siedlungsbau, waar
weinig stedelijke functies in waren voorzien”.
De nieuwste toevoegingen aan Zuid, het Olympisch
kwartier van o.a. Rudy Uytenhaak bevalt hem minder:
daar wordt de baksteen ontmaskerd en gereduceerd
tot een voor het gebouw gehangen schilletje, een
combinatie van transparantie en soliditeit.
Dan spreekt Rapp over het andere land
waar hij bouwt: België. In Jonckershoven, een
oud en economisch krachteloos Vlaams dorp tegen
de Franse grens, werd een internationaal vermaarde
architect geselecteerd voor de bouw van een nieuw
cultureel centrum. Rapp vond het een mooie kans
om tussen kerk, kerkhof en school de bekende maar
nooit verwerkelijkte studie van architect Mies van
der Rohe van een bakstenen landhuis te realiseren,
met een kruisvorm en in dikte variërende wanden
als uitgangspunt. Sommige wanden gaan over in tuinmuren,
zorgvuldig gedetailleerde rollagen gaan de hoek
om, er zijn dragende en niet dragende wanden in
dit prachtige ontwerp dat door Franse metselaars
werd gerealiseerd. Rapp: ”ik kon ze niet verstaan,
maar ze konden het wel maken”.
Op een vraag uit het publiek hoe ver kun je gaan
met het niet dragend toepassen van baksteen, waar
ligt de grens met de leugen, herinnert Rapp aan
Goethe’s “geloofwaardige kracht van
een gemetselde boog”: zolang het oog het gelooft
is het goed. Ook bij de grachtengordels zie je dat
stenen lijken te zijn doorgestapeld op glas en hout,
geen dragende toepassing.
Na een vullende lunch komen tijdens
het middagdeel van de MasterClass de technische
aspecten van metselwerk aan bod. Naast gebruikelijke
thema’s als dilateren en het voorkomen van
ontsierende elementen in metselwerk, vandaag een
interessant zwaartepunt: de hygrische eigenschappen
van de baksteen. KNB-adviseur Govert Koers legt
uit: “tot nu beschikte een architect over
slechts een beperkt aantal producteigenschappen
zoals de maatklasse en het vorstgedrag”. Maar
in Europees verband is dat uitgebreid: een lijst
van 11 punten waaronder de initiële en de totale
wateropname. Handvorm stenen en strengpers stenen
verschillen daarin, met alle gevolgen van dien.
“Het maakt ogenschijnlijk gelijke stenen ongelijk
in hun productprestaties”.
Collega Hugo Speelman vervolgt met het aansnijden
van de afstroming van water langs een stenen gevel:
“soms heeft men glazen puien onder een bakstenen
gevelblad, dan zou men liefst veel water opzuigen.
Bij een bakstenen plint onder een glazen pui geldt
het tegenovergestelde: hoe harder de steen, hoe
beter. En bij die harde steen is het juist de mortel
die meer vocht gaat opnemen”. Een advies van
de vakman: “schrijf bij waterbelaste en hellende
gevels een hoogwaardige mortel voor”.
Hugo Speelman: “KNB doet veel aan het bevorderen
van het bewustzijn van het materiaal en de kenmerken
daarvan”. Vandaar dat KNB talrijke uitgaven
kent waaronder een handige CD met toepassingsadviezen
over metselbaksteen.
Na afloop zijn de deelnemers aan de
MasterClass het erover eens dat het bij vraagstukken
over de uitvoering van ontwerpen een goede kennis
van het materiaal vergt. De MasterClass biedt hiertoe
inspiratie en inzicht. Tevreden zetten de deelnemers
zich aan een afsluitende borrel met uitzicht op
het groene gras in het stadion.