ALGEN EN MOSSEN OP BAKSTEENMETSELWERK
KNB info 01
Alg- en mosvorming op gebouwen zijn
niet bepaald verschijnselen van de laatste tijd.
Vooral op licht gekleurde ondergronden manifesteren
algen zich soms zeer duidelijk en worden daar minder
gemakkelijk geaccepteerd.
Er is geen eenvoudige, algemeen geldende oplossing
voor bealging, het is de consequentie van een samenspel
van factoren, zoals het gebouwontwerp, het materiaal,
de gebruikte reinigingsmiddelen, maar ook het beheer
en het klimaat. Alg- en mosgroei kunnen door het
nemen van de juiste maatregelen niet worden uitgesloten
maar het risico erop kan wel worden verlaagd.
Algen versus mossen
Belangrijk is onderscheid te maken tussen algen
en mossen. Algen groeien op alles dat oppervlakkig
vochtig is en hebben daarbij slechts een sporenhoeveelheid
voeding nodig voor de groei (veelal uit vervuiling
oppervlak). Ze kunnen daardoor groeien op stenen
en mortels in metselwerk, maar ook op gladde oppervlakken
zoals metalen en glas. Echter ook groei in het materiaal,
net onder het oppervlak, behoort tot de mogelijkheden.
Algen vertonen een opmerkelijke diversiteit in vorm,
grootte en kleur en komen voor in vrijwel elke omgeving.
Voortplanting van algen vindt plaats via celdeling,
typisch voor ééncelligen. In water
en grond aanwezige algen komen door verneveling
respectievelijk stofvorming in de lucht terecht,
waarna de wind voor verspreiding zorgt. Algen breken
niets af en vormen daardoor alleen een esthetisch
probleem.
Mossen daarentegen hebben behoefte
aan poreus, continue vochtig substraat dat mineralen
kan leveren. Mosgroei is funest voor voegwerk omdat
de rhizoïden van mossen zuren afscheiden die
het bindmiddel van de mortel oplossen. Mos dient
daarom zo snel mogelijk te worden verwijderd.
Groenverkleuring door reiniging
Voor het schoon opleveren van het metselwerk is
in de dagelijkse bouwpraktijk het gebruik van zure
reinigingsmiddelen zeer gangbaar en vrijwel niet
weg te denken. In de praktijk is echter waargenomen
dat metselwerk dat gereinigd is met zure reinigingsmiddelen
eerder groen kan worden dan niet behandeld metselwerk.
De resultaten van laboratoriumonderzoek onderschrijven
deze bevindingen.
In opdracht van KNB heeft TNO daarom getracht een
methode te ontwikkelen om reinigingsproducten te
beoordelen op het risico op groenverkleuring. Dit
onderzoek is eind 2008 afgesloten. Geconcludeerd
is dat laboratoriumonderzoek op basis van de ‘zure
regenmethode’ nog niet geschikt is om gevelreinigingsproducten
te beoordelen. Daarentegen worden de bij TNO en
TCKI uitgevoerde praktijkproeven wel voldoende betrouwbaar
geacht. Indien leveranciers van reinigingsmiddelen
deze willen laten onderzoeken wordt op dit moment
geadviseerd dit bij TNO of TCKI te laten doen op
basis van de praktijkproef. Op basis van de uitgevoerde
onderzoeken en praktijkervaringen wordt op dit moment
bij gevelreiniging vaak gekozen voor producten op
basis van sulfaminezuur.
Gebouwontwerp en detaillering
Het leidt geen twijfel dat vocht als primaire voorwaarde
voor alg- en mosgroei in de preventie centraal staat
en daardoor ook de samenhang tussen omgeving, bouwkundige
detaillering en materiaalkeuze. Als een gebouw niet
nat wordt of snel droogt, dan hebben algen en mossen
nauwelijks kans om te groeien. Een ontwerp met aandacht
voor detaillering en opbouw van de constructie kan
het risico op alg- en mosgroei dus verminderen.
Enkele voorbeelden waarbij vochtophoping en geconcentreerde
waterafvoer regelmatig tot groenverkleuring leidt
zijn:
- Opspattend regenwater tegen de gevel via de
bestrating of bovenkant van de zonwering;
- Regenwater dat via grote glasvlakken op het
metselwerk komt;
- Vlaggenmasthouders, noodoverlopen, ventilatieopeningen
e.d.
- De toepassing van rollagen in plaats van
muurafdekkers met voldoende overstek;
Materiaalkeuze
Gevelmetselwerk bestaat uit een combinatie van baksteen
en mortel. Wordt een gevel nat, dan hoopt vocht
zich op in de poriën (luchtholtes) van het
metselwerk, dus zowel in de mortelvoegen als in
de steen. Uit de praktijkexposities van TNO blijkt
dat alggroei meestal start op de voegen. Vaak wordt
verondersteld dat een steen met een lage porositeit
(weinig poriën) ongevoelig is voor bealging.
De onderzoeksresultaten hebben echter laten zien
dat de aanwezigheid van veel (hele) fijne poriën
van belang is voor het ontstaan van groenverkleuring
en niet de totale porositeit. Water verdampt namelijk
gemakkelijker uit grotere poriën en de steen
zal daardoor sneller drogen. Door deze verschillen
wordt in de praktijk het ene metselwerk soms eerder
groen dan het andere. Er bestaan echter geen test-
en classificatiemethodes die de gevoeligheid van
metselbakstenen voor algaangroei definiëren.
Velp, november 2009