MORTEL
VOOR METSELEN EN VOEGEN VAN BAKSTEENMETSELWERK
KNB info 18
Voor het maken van schoonmetselwerk
is het van belang dat de keus van metsel en voegmortel
voor baksteenmetselwerk, afgestemd is op de eigenschappen
van de te verwerken bakstenen.
Ter vermindering van de kans op uitslag, vochtdoorslag,
vorstschade en scheurvorming en voor het duurzaam
functioneren van de spouwmuurconstructie, is het
noodzakelijk dat spouwmuurconstructies ontworpen
worden met een luchtspouw van 40 mm tussen isolatie
en buitenspouwblad.
Daarnaast is de wijze van verwerking en de detaillering
van baksteenmetselwerk van belang.
Metselmortel
Voor de samenstelling van de metselmortel adviseren
wij mortel toepassingstype A overeenkomstig NEN
- EN 998-2 en BRL 1905 toe te passen en bij voorkeur
gebruik te maken van een geprefabriceerde mortel.
Voor een gedetailleerd morteladvies verwijzen wij
in dat geval naar de leverancier van de mortel,
die zijn advies zal afstemmen op de eigenschappen
van de te verwerken baksteen.
De mortelkwaliteit volgens NEN - EN 998-2 (M 5 -
M 15) dient in overleg met de directie c.q. de constructeur
te worden bepaald.
Voor een goede uitvoering van
metselwerk is de vochtconditie van de stenen op
het tijdstip van verwerken van belang.
De leverancier van de mortel zal daarom in zijn
verwerkingsvoorschrift nadere eisen stellen aan
het klimatiseren van de bakstenen. Voor veel sorteringen
geldt de regel winddroog (d.w.z. van binnen nat
en van buiten droog) verwerken.
Het klimatiseren van bakstenen is noodzakelijk
om de vereiste hechtsterkte tussen baksteen en
mortel te bereiken.
Wanneer metselmortel op de bouwplaats
wordt gemaakt kan voor een baksteen met gemiddelde
eigenschappen in de zomerperiode de samenstellingverhouding:
1 deel portlandcement op 1deel luchtkalk op 6 delen
metselzand (= 1 : 1 : 6) worden aangehouden.
Voor de winter is een verhouding = 1 : 0,5 : 4,5
gebruikelijk.
Om een goede stapelbaarheid en bouwsnelheid te bereiken
mag voor stenen met een geringe wateropzuiging de
grove fractie C4 - C5,6 10 tot 15% van het zandpakket
uitmaken.
NOOT
Baksteen sorteringen met een geringe wateropname
< 15 % is het advies om deze te verwerken met
de doorstrijk techniek. ( zie KNB info blad Doorstrijken)
Voegmortel
Om een kwalitatief hoogwaardige voeg te verkrijgen,
dienen de aanbevelingen uit de CUR aanbeveling 61
op het werk van toepassing te worden verklaard.
Geprefabriceerde voegmortel verdient de voorkeur.
Voor het mengen tot een homogene mortel, is een
speciale voeg - mortelmenger noodzakelijk.
Voeghardheden conform CUR aanbeveling 61 tot VH
–35 kunnen handmatig worden gerealiseerd.
Hogere hardheden vereisen een aangepaste techniek
met gebruikmaking van oppervlakte verdichting (trillende
voegspijker).
De voeghardheid is na uitharden te bepalen met behulp
van een voeghardheidsmeter.
Voor het verkrijgen van goed
voegwerk is het van belang dat tussen metselen
en voegen ten miste een “wachttijd”
van 2 weken wordt aangehouden. Schoonmaken van
het metselwerk voorafgaand aan het voegen dient
zodanig te geschieden dat de voegwerkzaamheden
plaatsvinden op een winddroge en stofvrije ondergrond.
Vers voegwerk dient te worden beschermd tegen
aantastende weersinvloeden.
Wordt voegmortel op de bouwplaats
gemaakt, dan gelden onderstaande aanbevelingen:
Bij voegzand met een korrelgrootte van 0 tot 4 mm;
1 deel portlandcement op 3,5 delen zand.
Bij voegzand met een korrelgrootte van 0 tot 2 mm;
1 deel portlandcement op 3 delen zand.
Wordt een zgn. bastaard - voegmortel
gewenst, dan kan in de zomerperiode de volgende
verhouding worden aangehouden:
1 deel portlandcement op 0,5 delen kalk op 4,5 delen
zand.
Voor de winterperiode, is de mengverhouding: 1 :
0,5 : 4.
De kalk is luchtkalk.
Voor witte(re) voeg wordt gebruik gemaakt van witte
portlandcement. Het voegzand dient normaal metselzand
te zijn met 10 à 15% meer fijne fractie.
Een groter aandeel fijn zand leidt tot een zwakkere
voeg.
Velp, juni 2008
Koninklijk Verbond van
Nederlandse Baksteenfabrikanten
Tel. 026 - 3845630
KNB en door deze ingeschakelde derden betrachten
hun uiterste best en de grootst mogelijke zorgvuldigheid
om tot een in alle opzichten toereikende dienstverlening
te komen. Het is desondanks altijd denkbaar dat
sprake kan zijn van een omissie, een gebrek en/of
een onnauwkeurigheid, onjuistheid of onvolledigheid
in een advies of product. KNB alsmede de door deze
ingeschakelde derden aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid
voor welke schade ook die daarvan het gevolg is,
zou kunnen zijn of geacht wordt te zijn.