VERANKERING EN DILATATIEVOEGEN
OP GEBOUWHOEKEN
IN BAKSTEENMETSELWERK
KNB info 36
Dilatatievoegen in baksteenmetselwerk
moeten worden aangebracht om ongewenste scheurvorming
als gevolg van spanningsoverschrijding te voorkomen.
De ‘bouwfysische dilatatievoegen’ zorgen
ervoor dat de optredende vormveranderingen ten gevolge
van temperatuurwisselingen vrij kunnen optreden.
Het is daarbij van groot belang dat ankers op de
juiste plaats en wijze worden aangebracht om de
vrije vormverandering ook daadwerkelijk mogelijk
maken. De recent verschenen conceptversie van de
Nationale bijlage bij NEN-EN 1996-2 - Eurocode 6
geeft de voor Nederland geldende regels voor dilatatievoegen.
Voegtypen
In gevels van baksteenmetselwerk moeten dilatatievoegen
zijn uitgevoerd als een ‘open voeg’
met een breedte van 5 mm of als een ‘gevulde
voeg’ met een breedte van 10 mm. Voor gebouwen
hoger dan 15 m wordt geadviseerd de ‘open
voeg’ te voorzien van een dichting met comprimeerbaar
elastisch band. Met nadruk wordt er op gewezen dat
de ‘koude voeg’ ook wel bekend als de
‘knipvoeg’ voor baksteenmetselwerk ongeschikt
is. Uitzetting van het metselwerk is daarbij namelijk
niet mogelijk en dit kan leiden tot aanzienlijke
drukspanningsverhoging in het metselwerk. Afhankelijk
van de plaats van de voeg is scheurvorming dan mogelijk.
De ‘koude voeg’ kan in baksteenmetselwerk
alleen worden toegepast als deze geen andere functie
heeft dan het vormen van een ‘visuele grens’
tussen twee vlakken, bijvoorbeeld bij de aansluiting
in een gevelvlak tussen twee in kleur verschillende
baksteensorteringen. Dit kan dus alleen als op andere
plaatsen het baksteenmetselwerk op de juiste wijze
is voorzien van de vereiste dilatatievoegen.
fig.1 - geschikte dilatatievoegen voor baksteenmetselwerk
Op de hoek
Ter plaatse van in- en uitwendige hoeken moet in
baksteenmetselwerk in principe altijd een dilatatievoeg
worden aangebracht. Dilatatievoegen ter plaatse
van gebouwhoeken mogen op maximaal driemaal de koppenmaat
vanaf de hoek zijn geplaatst, waarbij het gedeelte
van het metselwerk ‘om de hoek’ niet
verankerd mag zijn (zie fig. 2).
De spouwankers mogen in principe dus tot het eind
van het lange gevelvlak worden geplaatst maar mogen
absoluut niet worden toegepast in het korte stukje
metselwerk dat net de hoek om loopt
(zie fig. 3)!

fig. 2 - dilatatievoeg op gebouwhoek

fig. 3 – fout: geen ankers plaatsen in
het korte muurstuk
Buiten de hoek
Indien het ongewenst is om dilatatievoegen op gebouwhoeken
toe te passen, moeten overeenkomstig het gestelde
in de Nationale bijlage bij NEN-EN 1996-2 (Eurocode
6 - Ontwerp en berekening van constructies van
metselwerk - Deel 2: Ontwerp, materiaalkeuze
en uitvoering van constructies van metselwerk) in
beide gevelvlakken dilatatievoegen worden toegepast
die op maximaal 3,0 m uit de gebouwhoek worden gesitueerd
en waarbij over een lengte van 0,5 m aan beide zijden
van de hoek geen spouwankers in het buitenblad mogen
zijn opgenomen (zie fig.4). Van ankers die zich
dichter dan 0,5 m vanaf de hoek bevinden, moeten
tijdens de uitvoeringsfase het doorstekende deel
worden afgeknipt. Hierdoor loopt het anker dus niet
door tot in het buitenspouwblad.

fig. 4 - dilatatievoeg buiten de gebouwhoek
Borstweringen
Bij borstweringen die om de hoek doorlopen, moeten
in aanvulling op het voorgaande de dilatatievoegen
in beide gevelvlakken op een afstand van maximaal
2,5 h uit de hoek worden gesitueerd (zie fig. 5).
fig. 5 – dilatatievoeg bij
borstweringen die om de hoek
doorlopen
Glij-ankers
Ten onrechte wordt soms gedacht dat door verticale
dilatatievoegen het gemetselde gevelvlak instabiel
wordt. Wanneer de door een verticale dilatatievoeg
gescheiden gevelvlakken zijn voorzien van voldoende
spouwankers (zie hiervoor het artikel Spouwankers
in baksteenmetselwerk in Aannemer, april 2010) is
de stabiliteit van de muur verzekerd. Het is dan
volstrekt overbodig glij-ankers aan te brengen.
Onjuiste toepassing van glij-ankers heeft vooral
consequenties wanneer dit gebeurt in een verticale
dilatatievoeg die nodig is om de gescheiden gevelvlakken
in verticale richting te kunnen laten bewegen. Glij-ankers
koppelen de beide gevelvlakken alsnog aan elkaar.
Scheurvorming in het metselwerk is dan het gevolg.
In dilataties bij gebouwhoeken mogen nooit glij-ankers
worden toegepast.
Kozijnankers
Een regelmatig gemaakte fout is dat men kozijnen
met behulp van kozijnankers gaat verankeren aan
het buitenblad terwijl dat kozijn al verankerd is
aan het binnenspouwblad. Door deze koppeling wordt
een starre verbinding gemaakt tussen binnenblad
en buitenblad waardoor thermische werking van het
buitenblad geblokkeerd wordt en er scheurvorming
rond de kozijnen kan optreden. Voor verankering
rond gevelopeningen wordt aanbevolen de spouwverankering
zodanig aan te brengen dat direct naast de stijlen
en dorpels een rij spouwankers wordt opgenomen in
het metselwerk.
KNB, januari 2011
Koninklijk Verbond van
Nederlandse Baksteenfabrikanten
Tel. 026 - 3845630
KNB en
door deze ingeschakelde derden betrachten hun uiterste
best en de grootst mogelijke zorgvuldigheid om tot
een in alle opzichten toereikende dienstverlening
te komen. Het is desondanks altijd denkbaar dat
sprake kan zijn van een omissie, een gebrek en/of
een onnauwkeurigheid, onjuistheid of onvolledigheid
in een advies of product. KNB alsmede de door deze
ingeschakelde derden aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid
voor welke schade ook die daarvan het gevolg is,
zou kunnen zijn of geacht wordt te zijn.